Samen een situatie van het werk naspelen is een goede manier om de werkcultuur en bedrijfscultuur beter te begrijpen.
Praatspelletjes:
- Geen ja, geen nee
- Woord/persoon omschrijven
- Een vertelt, ander beeldt uit
- Argumenteren: Kies een werkgerelateerd onderwerp (bijv. “Thuiswerken is effectiever dan op kantoor werken). Bedenk zelf eerst argumenten, daarna voer je het gesprek.
- Hot Seat: Eén medewerker zit “in de hot seat” en beantwoordt vragen van collega’s over werk, projecten of taken.
Rollenspel
- Alledaagse werksituatie naspelen - oefenkaarten.
- Case Studies: geef een korte werk-gerelateerde casus of probleem en bespreek oplossingen.
- Presentatie + feedback geven: korte presentaties geven over een werkonderwerp of project, gevolgd door feedback van collega’s.
- Speed networking: interview elkaar in korte rondes (2–3 minuten per gesprek) over werkonderwerpen.
- Tour geven: de taalbuddy geeft een rondleiding aan de anderstalige collega en andersom.
(Zelfgemaakte) foto’s
- Kies een zelfgemaakte foto en ga hierover in gesprek.
- Praat over de teamfoto.
- Praat over foto's van het bedrijf op de website en in sociale media.

Kies een thema uit het lijstje hieronder en bespreek het samen:
- Begroeten en aanspreken: wie met jij/u, voornaam/achternaam? Hoe met klanten of leveranciers?
- Teamcommunicatie en humor: waarover praten jullie en wat voor humor past?
- Pauzes en sociale momenten: koffiepauze, lunch, verjaardagen, borrels – hoe doe je mee?
- Vergaderingen: hoe verlopen ze, welke rol pak je?
- Netwerken: wat wordt gewaardeerd, wat beter niet zeggen?
- Bedrijfsevenementen: jaarlijkse activiteiten, feestdagen, verwachtingen - hoe doe je mee? Wat zeg je als je niet mee wil?
- Typische werktaal (afkortingen): Bespreek vaste uitdrukkingen die in het bedrijf gebruikt worden, zoals “een bakkie doen” of “schiet het in mijn agenda.” Leg uit wat ze betekenen en oefen hoe je ze in gesprekken kunt gebruiken. Schrijf de belangrijkste afkortingen op (bijv. MT, HK, NPS) en bespreek wat ze betekenen.
- Nuances: Bespreek zinnen die dubbel kunnen worden opgevat. Oefen in korte dialoogjes hoe je dit duidelijk kunt maken.
- Om verduidelijking vragen: Oefen wat je kunt zeggen als je iets niet begrijpt. Voorbeelden:
- Ik begrijp het niet.
- Wat bedoel je?
- Kun je dat herhalen?
- Kun je langzamer praten?
- Dus ik begrijp dat … (herhalen van de opdracht)
Doe-tip
Koffie- en lunchgesprekjes
Korte gesprekjes bij de koffieautomaat of tijdens een lunchwandeling zijn belangrijk voor de sfeer. Oefen met je collega hoe je zo’n gesprek begint en gaande houdt.
